Zij draagt de schemer als een sjaal, elk lovertje een kaarsenschijn, een geest van twintiger jaren zonder taal, verdwenen in fluwelen lijn. Haar arm verheft zich als een schild voor licht dat zij niet dragen kan, de parels om haar hals zo mild, een rij van manen, dan en dan. Ik droom haar in een blauwe kamer, de grammofoon, de gouden stoel, een eeuw vergaan, maar nog steeds aamt er de oude lucht van zacht gevoel.

